Energievraagstuk vraagt actie.

Energievraagstuk vraagt actie.

Door Theo Reijs op basis van stuk Peter Schuttevaar; 5 november 2012.


Uitdaging voor NPI-bijeenkomst 23 november 2012.
Welke beleidsmaatregelen (fiscaal, investeringen in infrastructuur, kennisinvesteringen, (tijdelijke) subsidies, regelgeving, voorlichting enz.) op korte en langere termijn leiden tot een energiemarkt die duurzaam functioneert en tegelijkertijd recht doet aan de uitgangspunten van belanghebbende (politieke) partijen?


Achtergrondinformatie voor discussie
.

 'Vergroening gaat de staat miljarden euro's kosten'. Dit is een conclusie van een advies van de Algemene Energieraad van september 2012. Dit advies heeft veel, vanuit de duurzame energiewereld negatieve, reacties opgeroepen. De reacties geven in ieder geval aan dat het nodig is de voor- en nadelen en kosten en de baten van de diverse energieproductiewijzen op een innovatieve wijze in beeld te brengen.
(Bijvoorbeeld door CE en Ecofys is in oktober 2011 een rapport uitgebracht over overheidsingrepen in de energiemarkt.) 
 

Er zijn een aantal onduidelijkheden op het terrein van energievoorziening.

Er wordt verschillend gedacht over de termijn waarop de opwarming van de aarde ernstige gevolgen heeft. Wel is vrij algemeen, 97% van de klimatologen, overeenstemming over de menselijke factor bij de opwarming van de aarde. De menselijk factor wordt voor een groot gedeelte bepaald door de uitstoot van CO2 via het gebruik van fossiele energie.

De voorraad fossiele brandstoffen is eindig. Er is echter vrij grote onduidelijkheid over de tijdsperiode waarin de voorraad opraakt. Dit is mede afhankelijk van de toename in de vraag onder andere in de BRIC-landen en aan de mogelijkheden om energie te besparen door isolatie, zuinige apparatuur, afvalwarmte, ICT-toepassingen enz. In dit stuk gaan we ervan uit dat energiebesparingsmaatregelen sowieso genomen moeten worden en uitermate belangrijk zijn. Dit is echter geen onderwerp van bespreking.

De voor- en tegenstanders van de (alternatieve) technologieën hanteren allemaal verschillende criteria om hun technologie te promoten. Zo hanteren bijvoorbeeld voorstanders van biofuel criteria waarbij het oppervlaktegebruik niet wordt meegerekend, terwijl bij het verbouwen van graan nu eenmaal zeer veel landoppervlakte nodig is. Voorstanders van kernenergie gebruiken vaak berekeningen waarbij het verwerken van kernafval buiten beschouwing blijft en voorstanders van windenergie schenken te weinig aandacht aan de natuur- en horizonschade. Tegenstanders schenken uiteraard juist aandacht aan de minder positieve elementen  zoals de lage omzettingsrendement van zonnestraling naar biofuel.

Op deze wijze wordt  het voor de geïnteresseerde leek of bestuurder niet eenvoudig om keuzen te maken.
 

Wat weten we wel?

1)      De meeste energie op aarde is afkomstig van instraling door de zon. Dat geldt voor windenergie, waterkracht en fossiele brandstoffen die ooit via instraling van zonlicht hun energie konden opbouwen. De meest duurzame technologie is dus die welke het zonlicht zo efficiënt mogelijk omzet naar een vorm van eindgebruik.

2)      Er zijn diverse alternatieve technologieën nodig om in de toekomst de wereld van energie te voorzien, die allemaal hun eigen voor- en nadelen hebben.

3)      Bij efficiency van energieverbruik moet je naar de hele keten kijken. Dus van zonnestraal via opslag in accu’s tot bewegingsenergie en tot wrijvingsenergie van je auto, of tot de bewegingsenergie van je tandenborstel, etc. Voor- en tegenstanders pakken maar een deel van de keten en de bestuurder kan niet snel door de begripsverwarring heen prikken.

4)      Bestaan er fundamentele technologische barrières in de keten. Bijvoorbeeld zonne-energie opslaan in waterstofgas.  Het is dan niet zeker of de keten op een economische en milieutechnisch rendabele manier uitgebaat kan worden. Zo’n keten wordt daardoor minder duurzaam.

5)      Alle mogelijke directe en indirecte negatieve en positieve effecten van de keten dienen in kaart gebracht te worden en dienen meegewogen te worden. Voor fossiele brandstoffen is de CO2 uitstoot zo’n verstoring. Deze effecten zijn overigens wel context gebonden: Een zonnepaneel valt in Nederland minder duurzaam uit dan eenzelfde paneel in Spanje vanwege de geringere intensiteit van de zonnestraling. En fossiele brandstof is duurzamer als het in je achtertuin omhoog gehaald wordt dan wanneer het eerst de halve wereld om moet om gebruikt te worden.

6)      Technologische ontwikkelingen in de toekomst binnen een energieketen zijn onbekend. Dat maakt dat een keuze voor een bepaalde duurzame technologie niet alleen op technische gronden te maken is.

7)      Om geopolitieke redenen is het relevant de energieafhankelijkheid van een dan wel een gering aantal landen te beperken, dit geldt zowel voor de energie zelf als de producten (bijvoorbeeld grondstof voor accu’s van elektrische auto’s) die nodig zijn om de energie te verbruiken.
 

Dilemma’s en keuzemogelijkheden.

Allereerst dienen criteria te worden bepaald waaraan duurzame energie moet voldoen.

Betrokkenheid van stakeholders uit verschillende ketens is hierbij gewenst. De volgende actoren zijn van belang:

  • Overheid
  • Productiebedrijven
  • Leveranciers
  • Beheerders en
  • Consumenten (groot en kleinverbruik)
  • Onderzoek.

Waar in het verleden de scheiding tussen de doelstellingen van de actoren vrij helder was, is dat nu minder. Nu de energiemarkt in 2004 geliberaliseerd is, zijn er producenten die in hun doelstellingen expliciet opgenomen hebben dat ze voor groene duurzame energie zijn en alleen daarbinnen bedrijfsmatig willen functioneren. Ook zijn er consumenten die ook producent zijn van energie: windmolens, zonnepanelen, koude/warmteopslag enz. Afgezien daarvan kunnen we de belangen van de actoren als volgt typeren:

1)      De overheid staat voor algemeen belang en stelt eisen vanuit het level playing field aan de energiesector. Ze stelt eisen aan veiligheid en leveringszekerheid. Ze ondersteunt/subsidieert (bepaalde) energievoorzieningen.

2)      De productiebedrijven en de leveranciers streven naar een gezond bedrijfsresultaat op korte en lange termijn binnen hun duurzaamheidsdoelstellingen.

3)      De netwerkbeheerder draagt zorg voor goed functionerende infrastructuur en een gezond bedrijfsresultaat.

4)      De consument vraagt een zo gunstig mogelijke prijs en leveringszekerheid binnen zijn eigen duurzaamheidsdoelen.

 Uit nader (integraal) onderzoek kan een voorstel volgen welke energieketen(s), nu en op termijn, het meest duurzaam is/zijn.


 In dit speelveld staat de politiek voor de volgende keuzen:

a)      Dienen we de ontwikkeling van één of meerdere technologische (keten)oplossingen te stimuleren of kunnen we ons beter richten op het scheppen van voorwaarden voor een vrije concurrentie tussen deze technologieën?

voordeel stimuleren: er ontstaat meer ontwikkelkracht in een bepaalde richting, waardoor de technologie zich sneller ontwikkelt en zich eerder als rendabel kan bewijzen.
nadeel stimuleren: alternatieve ketens, die mogelijk veel duurzamer zijn, worden onderdrukt en krijgen minder kans zich te bewijzen.

voordeel vrije concurrentie: de kans wordt groter dat de meest duurzame technologie op termijn boven komt drijven.
nadeel vrije concurrentie: complexere regelgeving, om te voorkomen dat er manipulatie plaats vindt door de grote/machtige bedrijven.

b)      Dienen we de ontwikkeling te richten op grootschalige energieopwekking met een centraal distributiesysteem (zoals dat nu gebeurt), dan wel op kleinschalige en lokale energieopwekking/opslag met een intelligent distributiesysteem (een zogenaamd “smart grid”, vergelijkbaar met het internet), dan wel op een combinatie van beide vormen?

voordeel grootschalig: omslag naar duurzame energie kan sneller georganiseerd worden en kan meer onder centrale regie plaats vinden.
nadeel grootschalig: er is een grotere kwetsbaarheid vanwege een eenzijdiger energieverzorging.

voordeel kleinschalig: het lokale bedrijfsleven en burgers worden meer gemotiveerd om zelf actie te ondernemen. Er is meer “ownership”.
nadeel kleinschalig: intelligenter/kostbaarder distributiesysteem (smart grid).


Deze keuzen zijn relatief onafhankelijk van ideologie te maken. De ene partij zal meer geneigd zijn om te kiezen voor oplossingen die een minder complexe regelgeving behoeven en de andere partij zal minder geneigd zijn om oplossingen te accepteren die bestaande industriële grootmachten te zeer bevorderen. Toch behoeft men hier geen zware ideologische strijd om te voeren. Omdat in elke keuze wel de eigen ideologische standpunten en partij-programmatische doelstellingen verwerkt kunnen worden.

Het niet maken van een keuze leidt juist tot de patstelling in de energievoorziening, waarin we de energievoorziening niet verduurzamen. Door de gebrekkige en weinig daadkrachtige politieke richting die nu bestaat kunnen de bestaande machtsblokken in de energiesector makkelijk hun posities vast houden en aan minder duurzame energieketens vasthouden. De bestaande regelgeving werkt immers in hun voordeel en zij kunnen die regelgeving ook makkelijker in hun voordeel blijven beïnvloeden.

....................

Reacties op dit stuk zullen meegenomen worden bij de discussie op 23 november.
Deelnemers aan het Netwerk Politieke Innovatie (ook nieuwe!) zijn welkom. Aanmelden tot en met zaterdag 17 november via rbrons@apmgroep.nl met vermelding van e-mail adres en mobiel telefoonnummer.Bij overtekening gaan degenen voor die zich het eerst gemeld hebben


 

Reacties

Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:
    • Netwerk PI
      Netwerk PI 1974 dagen geleden
      • Reyer Brons
        Reyer Brons 2071 dagen geleden

        Reactie van Martine Groenewegen (de Klik, Lunteren)

        Interessant dat vanuit het Netwerk Politieke Innovatie aandacht aan energie wordt gegeven. De materie ligt wel complexer dan in het stuk is aangegeven. Energie gaat in de politiek vaak alleen over elektriciteit een beetje over transport en vrijwel nooit over warmte. Men heeft het meestal over zon en wind en soms over biomassa. Biomassa is dan nog steeds vooral bedoeld voor elektriciteit. Ook electrisch rijden en biogas voor treansport zijn inmiddels politieke issues. Energiegebruik voor warmte is 40%, voor elektriciteit 28% en transport en industrie in gelijke delen de rest. Bij de bijeenkomst van de topsector Energie gaf men ook aan dat de component warmte nog te weinig aandacht krijgt. Omdat er voor warmte nog maar een heel beperkte infrastructuur van warmtenetten ligt brengt het geheel andere discussies met zich mee, zoals wie verantwoordelijk is voor de aanleg ervan.
        Verder mis ik in het achtergrondstuk het item risico's en in relatie daarmee mis ik bij de stakeholders de financiers. Door de rente-opslagen voor risico's kan de haalbaarheid van projecten verdampen. Hoever kan de overheid gaan met garantstellingen? Bij de keus voor kleine projecten kan de financierbaarheid te klein zijn. Wie draagt er dan zorg voor, of stimuleert bundeling van projecten zodat financiering wel mogelijk wordt?
        Tja, en dan is er nog het wat uitgekouwde onderwerp van vergunningverlening in combinatie met het lokaal creëren van draagvlak en regelgeving die belemmerend kunnen zijn. En als laatste is het aardig te weten dat men zelfs vanuit de EU aandacht heeft voor lokale benadering. Dit geldt in elk geval voor biomassa.

      Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers