Het energievraagstuk

Het energievraagstuk

Inleiding

Alle politieke partijen vinden dat duurzamere manieren van opwekking van energie op termijn noodzakelijk zijn. Er wordt echter zeer verschillend gedacht over de noodzaak om op korte termijn over te gaan op duurzame energie en over de aanpak om duurzaam energiegebruik te stimuleren. Het niet maken van een keuze leidt echter tot de patstelling in de energievoorziening, waarin we de energievoorziening niet verduurzamen. Laten we proberen beleid te bedenken dat de uiteenlopende waarden van de diverse partijen aan elkaar verbindt, zonder dat de afzonderlijke waarden worden verdrongen.

Onduidelijkheden op het terrein van energievoorziening.

Er wordt verschillend gedacht over de termijn waarop de opwarming van de aarde ernstige gevolgen heeft. Wel is vrij algemeen, 97% van de klimatologen, overeenstemming over de menselijke factor bij de opwarming van de aarde. De menselijk factor wordt voor een groot gedeelte bepaald door de uitstoot van CO2 via het gebruik van fossiele energie.

De voorraad fossiele brandstoffen is eindig. Er is echter vrij grote onduidelijkheid over de tijdsperiode waarin de voorraad opraakt. Dit is mede afhankelijk van de toename in de vraag onder andere in de BRIC-landen en aan de mogelijkheden om energie te besparen door isolatie, zuinige apparatuur, afvalwarmte, ICT-toepassingen enz. In dit stuk gaan we ervan uit dat energiebesparingsmaatregelen sowieso genomen moeten worden en uitermate belangrijk zijn. Dit is echter geen onderwerp van bespreking.

De voor- en tegenstanders van de (alternatieve) technologieën hanteren allemaal verschillende criteria om hun technologie te promoten. Zo hanteren bijvoorbeeld voorstanders van biofuel criteria waarbij het oppervlaktegebruik niet wordt meegerekend, terwijl bij het verbouwen van graan nu eenmaal zeer veel landoppervlakte nodig is. Voorstanders van kernenergie gebruiken vaak berekeningen waarbij het verwerken van kernafval buiten beschouwing blijft en voorstanders van windenergie schenken te weinig aandacht aan de natuur- en horizonschade. Tegenstanders schenken uiteraard juist aandacht aan de minder positieve elementen  zoals de lage omzettingsrendement van zonnestraling naar biofuel.

Op deze wijze wordt  het voor de geïnteresseerde leek of bestuurder niet eenvoudig om keuzen te maken.

Wat weten we wel?

  1. De meeste energie op aarde is afkomstig van instraling door de zon. Dat geldt voor windenergie, waterkracht en fossiele brandstoffen die ooit via instraling van zonlicht hun energie konden opbouwen. De meest duurzame technologie is dus die welke het zonlicht zo efficiënt mogelijk omzet naar een vorm van eindgebruik.
  2. Er zijn diverse duurzame technologieën nodig om in de toekomst de wereld van energie te voorzien, die allemaal hun eigen voor- en nadelen hebben.
  3. De energiemarkt is steeds complexer aan het worden en de energieketen (van opwekking naar eindverbruik) wordt langer: het wordt/is een moeilijk te doorgronden black box.
  4. Bij efficiency van energieverbruik moet je naar de hele keten kijken. Dus van zonnestraal via opslag in accu’s tot bewegingsenergie en tot wrijvingsenergie van je auto, of tot de verwarmingsenergie van je warmtepomp, etc. Voor- en tegenstanders pakken maar een deel van de keten en de bestuurder kan niet snel door de begripsverwarring heen prikken.
  5. Er  bestaan  fundamentele barrières in de keten. Bijvoorbeeld zonne-energie opslaan in waterstofgas.  Het is nog niet mogelijk om deze keten op een economische rendabele manier te exploiteren. Zo’n keten wordt daardoor minder attractief.
  6. Dat alle mogelijke directe en indirecte negatieve en positieve effecten van de keten dienen in kaart gebracht te worden en dienen meegewogen te worden richting producent en consument om onjuiste prijsstelling te voorkomen. Voor fossiele brandstoffen is de CO2 uitstoot zo’n verstoring. Effecten zijn overigens wel context gebonden: Een zonnepaneel valt in Nederland minder duurzaam uit dan eenzelfde paneel in Spanje vanwege de geringere intensiteit van de zonnestraling. En fossiele brandstof is duurzamer als het in je achtertuin omhoog gehaald wordt dan wanneer het eerst de halve wereld om moet om gebruikt te worden.
  7. Technologische en economische ontwikkelingen in de toekomst binnen een energieketen zijn onbekend. Dat maakt dat een keuze voor een bepaalde duurzame technologie niet alleen op technische gronden te maken is.
  8. Om geopolitieke redenen is het verstandig om de energieafhankelijkheid van één dan wel een gering aantal landen te beperken, dit geldt zowel voor de energie zelf als de producten (bijvoorbeeld grondstof voor accu’s van elektrische auto’s) die nodig zijn om de energie  om te zetten of te bufferen.

Dilemma’s en keuzemogelijkheden.

Startpunt.

Allereerst dienen criteria te worden bepaald waaraan duurzame energie moet voldoen. Betrokkenheid van stakeholders uit verschillende ketens is hierbij noodzakelijk. Per duidelijk te onderscheiden onderdeel van energiegebruik is een andere aanpak gewenst:

  • Warmte (40% van gebruik)
  • Electra (28% van gebruik)
  • Transport (16% van gebruik)
  • Industrie (16% van gebruik).

De volgende actoren zijn van belang:

  • Overheid
  • Productiebedrijven
  • Financiers
  • Leveranciers
  • Beheerders en
  • Consumenten (groot en kleinverbruik)
  • Onderzoek.

Sinds de liberalisatie van de energiemarkt is de positie van de financier belangrijk. De financier kan mede bepalen of energiebesparingstechnieken op kortere dan wel lagere termijn rendabel worden. De rol van deze actor wordt nog belangrijker bij een verdere terugtrekking van de overheid uit de energiemarkt.

Waar in het verleden de scheiding tussen de doelstellingen van de actoren vrij helder was, is dat nu minder. Nu de energiemarkt in 2004 geliberaliseerd is, zijn er producenten die in hun doelstellingen expliciet opgenomen hebben dat ze voor groene duurzame energie zijn en alleen daarbinnen bedrijfsmatig willen functioneren. Ook zijn er consumenten die ook producent zijn van energie: windmolens, zonnepanelen, koude/warmteopslag enz.

Afgezien daarvan kunnen we de belangen van de actoren als volgt typeren:

  1. De overheid staat voor algemeen belang en stelt eisen aan de energiesector. Ze stelt eisen aan veiligheid en leveringszekerheid. Ze ondersteunt/subsidieert (bepaalde) energievoorzieningen.
  2. De productiebedrijven en de leveranciers streven naar een gezond bedrijfsresultaat op korte en lange termijn binnen hun (duurzaamheid)doelstellingen.
  3. De financier let op de rentabiliteit van de investering zowel op korte als lange termijn.
  4. De netwerkbeheerder draagt zorg voor goed functionerende infrastructuur en een gezond bedrijfsresultaat.
  5. De consument vraagt een zo gunstig mogelijke prijs en leveringszekerheid binnen zijn eigen duurzaamheidsdoelen. Een onderscheid tussen diverse groepen consumenten is vanwege het type energievraag relevant: groot-, midden- en kleinverbruik, maar ook onderscheid naar sector zoals transport, industrie, land- en tuinbouw. NB Grootverbruikers betalen nu een lagere prijs.

 Uit nader (integraal) onderzoek kan een voorstel volgen welke energieketen(s), nu en op termijn, het meest duurzaam is/zijn.

Vanuit dit startpunt staat de politiek voor de volgende keuzen:

a)      Dienen we de ontwikkeling van één of meerdere technologische (keten)oplossingen te stimuleren of kunnen we ons beter richten op het scheppen van voorwaarden voor een vrije concurrentie tussen deze technologieën?

voordeel stimuleren: er ontstaat meer ontwikkelkracht in een bepaalde richting, waardoor de technologie zich sneller ontwikkelt en zich eerder als rendabel kan bewijzen.
nadeel stimuleren: alternatieve ketens, die mogelijk veel duurzamer zijn, worden onderdrukt en krijgen minder kans zich te bewijzen.

voordeel vrije concurrentie: de kans wordt groter dat de meest duurzame technologie op termijn boven komt drijven.
nadeel vrije concurrentie: complexere regelgeving, om te voorkomen dat er manipulatie plaats vindt door de grote/machtige bedrijven.

b)   Dienen we de ontwikkeling te richten op grootschalige energieopwekking met een centraal distributiesysteem (zoals dat nu gebeurt), dan wel op kleinschalige en lokale energieopwekking/opslag met een intelligent distributiesysteem (een zogenaamd “smart grid”, vergelijkbaar met het internet), dan wel op een combinatie van beide vormen?

voordeel grootschalig: omslag naar duurzame energie kan sneller georganiseerd worden en kan meer onder centrale regie plaats vinden.
nadeel grootschalig: er is een grotere kwetsbaarheid vanwege een eenzijdiger energieverzorging.

voordeel kleinschalig: het lokale bedrijfsleven en burgers worden meer gemotiveerd om zelf actie te ondernemen. Er is meer “ownership”.
nadeel kleinschalig: intelligenter/kostbaarder distributiesysteem (smart grid).

Deze keuzen zijn relatief onafhankelijk van ideologie te maken. De ene partij zal meer geneigd zijn om te kiezen voor oplossingen die een minder complexe regelgeving behoeven en de andere partij zal minder geneigd zijn om oplossingen te accepteren die bestaande industriële grootmachten meer bevorderen. Toch behoeft men hier geen zware ideologische strijd om te voeren. Omdat in elke keuze wel de eigen ideologische standpunten en partij-programmatische doelstellingen verwerkt kunnen worden.

Het niet maken van een keuze leidt juist tot de patstelling in de energievoorziening, waarin we de energievoorziening niet verduurzamen. Door de gebrekkige en weinig daadkrachtige politieke richting die nu bestaat, kunnen de bestaande machtsblokken in de energiesector makkelijk hun posities vast houden en aan minder duurzame energieketens vasthouden. De bestaande regelgeving werkt immers in hun voordeel en zij kunnen die regelgeving ook makkelijker in hun voordeel blijven beïnvloeden.

Tot zover een zeer beknopte samenvatting van de kennis en vragen bij het NPI over het energie-vraagstuk. 

Probleemstelling

Welke beleidsmaatregelen (fiscaal, investeringen in infrastructuur, kennisinvesteringen, (tijdelijke) subsidies, regelgeving, voorlichting enz.) op korte en langere termijn leiden tot een energiemarkt die duurzaam functioneert en tegelijkertijd recht doet aan de uitgangspunten van belanghebbende (politieke) partijen?

Dit is een door Theo Reijs bijgestelde versie van een eerder stuk. Het is gebruikt in een laboratorium-sessie van het NPI, waar naast de leden van de stuurgroep ook Arien van der Maas (bestuurslid van Vallei Energie). Hij noemde ook nog als relvante informatiebronnen het ECN , de Bosatlas van de energie en het artikel Nederland krijgt nieuwe energie. Zie voor de conclusie van de sessie Het energiemarktbeleid in hoofdlijnen

Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers