EENVOUD EN SIMPLISME IN HET WONEN

EENVOUD EN SIMPLISME IN HET WONEN

Een bijdrage van Tom van Doormaal

Inleiding

Het probleem van de overheidsuitgaven in crisistijd hernieuwt de aandacht voor een oud thema: wat moet de overheid doen en wat moet worden overgelaten aan particulieren en instellingen? Maar naast “wat?” is ook “hoe?” een probleem.

De oneindige reeks fraudes legt het sturingsvraagstuk op tafel. We proberen de complexiteit te beheersen door ingewikkelde regels en beheersingsarrangementen. Maar dat geeft grote kansen aan de slimme gebruiker, die die uitvoerders en handhavers probeert te omzeilen voor eigen gewin.

Onze orde zal simpeler moeten worden, om oneigenlijk gebruik tegen te kunnen gaan. Maar de eenvoud moet ook niet verder gaan dan nodig is. “Requisite variety” is nodig bij het besturen van ingewikkelde systemen. Met simpele stuursignalen doet een ingewikkeld systeem niet wat je verwacht had. Ik poog een illustratie met de casus van het wonen.
 

  1. 1.       Beleidskeuzen

De inleiding hierboven zou je ‘tragisch besef’ kunnen noemen, dat bij de minister voor de woningmarkt ontbreekt. Hij en zijn politieke vrienden hebben ongeveer de volgende gedachtengang.

  • De huursector en de koopsector zijn uit elkaar gegroeid
  • De koopwoningen zijn te duur door de hypotheekrenteaftrek (HRA), die heel voorzichtig wordt afgebouwd.
  • De sociale huurwoningsector is te groot en te vaak bewoond door behoorlijke inkomens, die naar de vrije huursector of koopmarkt moeten worden gedreven.

Als we dat doen:

  • worden koopprijzen realistischer en lager,
  • wordt de sociale huursector kleiner,
  • wordt de relatie tussen huur en inkomen beter,
  • betreden meer huurders de vrije huurmarkt en de koopmarkt.

Maar de vraag is: hoe doen we dat dan?
 

  1. 2.      

Operationalisatie

Het beleid richt zich dus op de koopmarkt en op de huurmarkt. De koopmarkt wordt voorzichtig verlost van de HRA, waardoor enige neerwaartse druk op de prijzen ontstaat. De entree van nieuwe kopers zou  bevorderd worden door een gekunstelde constructie, die ik maar de Blok-hypotheek noem en die inmiddels is mislukt. Wat positiever werkt de lokale starterslening.

De huurmarkt wordt aangepakt door een centraal geleid huurbeleid, gedifferentieerd naar inkomen. Daarvoor is medewerking van de fiscus en de woningcorporaties vereist. Dat spreekt niet vanzelf: de fiscus kan maar circa 80% van de vereiste inkomensgegevens leveren, gegevens van de belasting ijlen flink na op de actuele situatie wat veel ruis gaat geven  en de ideologisch en financieel steviger corporaties willen eigenlijk het huurbeleid niet volgen.

De woningcorporaties worden onder druk gezet door:

  • Beperking tot hun kerntaak;
  • Een verhuurdersheffing, die alleen de sociale verhuurders treft. Daarmee verdwijnt de financiële speelruimte om te investeren grotendeels, evenals die voor muiterij ten aanzien van het huurbeleid.

Dit is de hoofdlijn van de operationalisaties, zoals die in het woonakkoord zijn vastgelegd.
 

  1. 3.       Over doelen en middelen

Politiek gaat over doeleinden (wat) , de beleidsuitvoering over middelen (hoe). Maar dat  onderscheid werkt niet in dit dossier.

De doelstellingen van het beleid, zoals hiervoor onder de kop beleidskeuzen samengevat, lijken nog wel te volgen. Je kunt erover twisten of het slim is de sociale huursector in tijden van crisis en behoefte aan arbeidsmobiliteit in te krimpen. Maar het komt wel meer voor dat het beleid is afgesteld op een situatie van vijf jaar geleden.

Het probleem zit vooral op het operationele vlak. Centraal in de aanpak staat het nationale huurbeleid, maar dat is net het meest ouderwetse onderdeel. Regionale en lokale huurmarkten vragen juist om een specifiek en gericht huurbeleid.

De acceptatie van het beleid en de uitvoerbaarheid zijn mede daardoor ook problematisch. De fiscus moet de inkomensgegevens leveren voor wat tegenstanders de “gluurverhoging” zijn gaan noemen.

De verhuurdersheffing, die alleen gericht is op de sociale verhuurders, moet een voordeel scheppen voor beleggers die huurwoningen in de vrije sector moeten realiseren. Maar debeleggers, die duurdere huurwoningen realiseren, zijn al jaren geleden uit die markt vertrokken.

De sociale verhuurders beschouwen die verhuurdersheffing terecht als rondpompen van geld: immers, de hogere huuropbrengsten, die moeten worden gerealiseerd om de heffing te betalen, zullen voor een aanzienlijk deel bestaan uit individuele huurtoeslagen. Het lijkt op een extra heffing op bijstandsuitkeringen.

De angst voor de prijsval op de koopmarkt verhindert tot dusver een echte sanering van vastgoedprijzen.  Ze dalen wel, maar niet dramatisch. De banken en de grantie-instituten zijn voorzichtig en terughoudend. De crisis heeft voor grote gaten in hun balans gezorgd en de saneringsslag is nog niet afgelopen, net zomin als de crisis.

De rente is laag, maar de bouw en de hypotheekmarkt profiteren daar niet van.
 

  1. 4.       Ingewikkeldheid buiten beeld?

Is het verhaal dat dit kabinet de ingewikkeldheid niet ziet? Minister Blok schrijft in zijn brief van 21 mei aan de kamer dat hij inzet op een structurele verbetering op zowel de huur als de koopwoningmarkt. “Ik verwacht daarom (?) dat de bouwproductie de komende jaren weer zal aantrekken. Zo zien diverse instanties op termijn licht aan het einde van de tunnel.”

Het kan moeilijk nog hulpelozer worden geformuleerd. Ik doe mijn best en daarom zal het weer beter gaan en op termijn komt het helemaal goed, zo vertaal ik zijn woorden.

Het probleem van dit beleid is dat het binnen de “koker”consistent is, maar niet echt spoort met de hoofdlijn van het kabinetsbeleid. Dat is gericht op de reductie van het tekort onder de fameuze 3%. Op termijn is er licht aan het einde van de tunnel, zegt de minister. Dat is een onweerlegbare formulering: maar welke termijn en hoe lang is die tunnel dan nog? Deze minister was toch ingehuurd om de problemen met de woningmarkt en de bouwnijverheid even op te lossen?

Als je dat wilt, ligt een investeringsgericht programma meer voor de hand. Maar Eelco Brinkman moest braaf zijn en mocht niet pleiten voor zijn achterban in de bouw. De koude sanering in de bouwnijverheid gaat voort. De gemeentelijke grondexploitatie, waar de gemeentelijke financiën jarenlang hun stevigheid aan ontleenden, is meer dan ooit het zorgenkind. En dat terwijl het hele sociale domein, onder aftrek van bezuinigingen aan de gemeenten wordt overgedragen.

Dat brengt mij op een andere redenering, die misschien eenvoudig is, en ook voor vernieuwende en betere samenhangen zou kunnen zorgen.
 

  1. 5.       Decentraliseer door

De sociale woningbouw is sociaal beleid: de woningcorporaties worden geacht tegen de markt in te werken voor de laagste inkomens, teneinde voldoende woningen van redelijke kwaliteit voor hen te produceren en beschikbaar te hebben.

Op nationale schaal heeft de politiek geen lust meer die functie te steunen of in stand te houden. Tegelijk wordt de behoefte aan woonruimte tegen niet marktconforme prijzen sterk bepaald door regionale en lokale woningmarkten.

In het regeerakkoord werd gesproken over directe aansturing van corporaties door gemeenten. In een commissie, voorgezeten door Sybilla  Dekker, is bekeken voor de VNG hoe deze relatie vorm zou kunnen krijgen. Daarover is in april gerapporteerd aan de VNG.

Waarom trekken we daaruit niet een heroische consequentie, n.l . dat het lokaal bestuur het best is toegerust om een lokaal woonruimte-prijsbeleid te voeren? Het betekent dat we het centrale huurprijsbeleid afschaffen en het lokale bestuur vragen, in samenhang met het gedecentraliseerde sociale domein, een nieuw prijsbeleid voor het wonen te ontwikkelen.

Het zou de verantwoordelijkheid voor de lokale sociale verhoudingen daar leggen waar die toch al komt te leggen, bij het lokale openbare bestuur. Het zou de woningcorporaties een echte gesprekspartner geven op lokaal niveau. De verantwoordelijkheid van een minister voor het wonen is een historisch fossiel. Als de politiek dat niet meer wil, moeten we daar mee stoppen.

Dan kan lokaal politieke strijd worden geleverdin over de condities van het wonen.Het betekent dat de landelijke politiek eens opnieuw moet nadenken over de kaders voor deze decentralisatie . Dat is iets anders dan de onrijpe improvisatie van het woonakkoord.

Tom van Doormaal (28-05-13)
In iets aangepaste versie is deze bijdrage ook gepubliceeerd bij Sargasso.

Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers