Europa

Europa

Peter van Hoesel, 8 januari 2014


Op Europa c.q. de EU valt, om het zacht uit te drukken, het nodige aan te merken. Het is erg in zwang om negatieve dingen te schrijven of te zeggen over Europa, zoals dagelijks te lezen is in de krant of te zien is op de TV. Schrijvers en sprekers met positieve bijdragen worden bovendien weggezet als naïevelingen of dommeriken. Een echt debat over de waarde van Europa lijkt nauwelijks meer mogelijk.
Toch is een goed debat over Europa uiterst zinvol, juist omdat de Europese Unie zo’n bijzonder samenwerkingsverband is. Het mooie van de EU is dat het géén federatie is, maar toch een aantal wezenlijke zaken kan organiseren die een gezamenlijk belang zijn van alle lidstaten, waarbij de culturele en historische verscheidenheid van de lidstaten intact blijft. Overigens valt hierbij aan te tekenen dat er juist op het gebied van cultuur en wetenschap in de 16e en 17e eeuw veel uitwisseling was tussen de toenmalige Europese staten, vanwege een aanzienlijke internationale mobiliteit van allerlei kunstenaars en wetenschappers.

De grootste voorstanders van de EU willen het liefst naar een federatie waarbij de nationale staten een positie krijgen vergelijkbaar met de staten in de VS. Verklaarde tegenstanders vinden dat de EU zich met veel teveel zaken is gaan bemoeien waar ze juist van af moeten blijven en zich zou moeten beperken tot het openhouden van de gemeenschappelijke markt (waarbij de vraag is wat daar dan precies onder moet worden verstaan).
Ik vind beide modellen onaantrekkelijk. Europa is vooral gediend met een tussenmodel waarin de voordelen zo groot mogelijk kunnen zijn en de nadelen kunnen worden geminimaliseerd. Het heeft weinig zin zo’n tussenmodel precies te beschrijven. Het moet zich geleidelijk aan ontwikkelen, met vallen en opstaan, waarbij er ook de mogelijkheid moet zijn om verkeerde bewegingen terug te draaien.
Ik geef hieronder enkele mogelijkheden die kunnen helpen om tot een aanvaardbaar tussenmodel te komen.

De EU heeft een slechte naam gekregen door zich te bemoeien met allerlei details van het dagelijkse leven. Daar kan de EU inderdaad beter mee ophouden, hoewel er in bepaalde gevallen best wat voor een Europese regelgeving te zeggen valt, bijvoorbeeld op het gebied van grensoverschrijdende milieuvraagstukken.
Wat in elk geval beter zou kunnen is de uitwerking van Europese richtlijnen door de diverse lidstaten. Veelal lopen mensen te hoop tegen zo’n uitwerking, omdat die nogal eens beduidend gedetailleerder is dan de oorspronkelijke richtlijn. Het zou nog beter zijn als zo’n nationale uitwerking niet nodig zou zijn. Met andere woorden, maak alleen Europese richtlijnen als het echt niet anders kan en dan liefst zodanig dat er op nationaal niveau weinig of niets aan behoeft te worden toegevoegd.

Europa heeft ook een probleem gekregen door een risicovolle invoering van de euro, met als gevolg dat de EU nu (noodgedwongen) strikt toe moet zien op het financiele beleid van de eurolanden. Daarmee lever je inderdaad een stukje autonomie in, zeker als er sprake is van een fors tekort, maar het is aan de andere kant wel een goede stok achter de deur voor landen die anders makkelijk teveel geld uitgeven. Blijft de vraag hoe het beste kan worden omgegaan met sociaaleconomische verschillen tussen diverse landen. Voor de eurozone is het min of meer onontkoombaar dat er op sociaaleconomisch terrein de nodige beleidsconvergentie komt.
Feitelijk gaat het ondertussen best aardig met de euro, het is een stevige munt gebleken en de onderlinge handel tussen de landen is erdoor toegenomen. Het is voor de eurolanden bovendien wel prettig om te weten dat ze deel uitmaken van het grootste economische blok ter wereld, want je kunt daarmee in principe een grote invloed uitoefenen op de internationale economie.
Overigens zijn zelfs de meeste tegenstanders van de EU wel voorstander van diverse vormen van economische samenwerking, dus dat kan in elk geval worden voortgezet, ook met de landen die niet met de euro in zee zijn gegaan. Een interessante vorm van samenwerking is bijvoorbeeld het investeren in technologische onderzoekprogramma’s die voor afzondelijke landen te duur zouden zijn.

De vrije Europese arbeidsmarkt heeft per saldo nogal wat bijgedragen aan een negatieve beeldvorming over Europa. Mensen uit Midden- en Oosteuropese landen willen graag in Westeuropese landen werken omdat daar voor hen betere kansen liggen en ze ook nog beter betaald krijgen (zelfs als ze naar onze maatstaven onderbetaald worden). Zij lijken daarmee de werkloosheid in Westeuropa te vergroten. Maar aan de andere kant zijn ze heel productief, wat goed is voor de economie, terwijl vele Westeuropeanen blijkbaar niet in staat zijn om met ze te concurreren op de arbeidsmarkt. Toegegeven moet worden dat het ontwijken of ontduiken van CAO’s de concurrentieverhoudingen nogal verstoort, maar dit is zeker niet de enige factor die hierop invloed uitoefent en bovendien moet worden bedacht dat bv. ook Nederlandse zzp’ers niet onder een CAO vallen.
Sommige Midden- en Oosteuropese landen fungeren voorts als lagelonenlanden, waardoor ze productie naar zich toe kunnen trekken die bij ons te duur zou zijn. Dat heeft trouwens ook positieve kanten: de betreffende producten zijn goedkoop te importeren en het stimuleert Westeuropese bedrijven tot innovaties waarmee ze de productie weer terug kunnen halen naar het eigen land, zeker als ook nog blijkt dat productie in Westeuropa duurzamer is dan productie in Midden- en Oosteuropa.
Verwacht mag worden dat de beloningsverschillen met Westeuropese landen geleidelijk aan minder groot zullen worden, zoals we ook bij diverse Aziatische landen hebben gezien.
Het vervelendste aspect van de vrije arbeidsmarkt is dat criminelen hun operatiegebied makkelijk kunnen uitbreiden naar andere Europese landen. Dit verschijnsel maakt de vrije arbeidsmarkt jammer genoeg, maar wel terecht, tot een bijzonder gevoelig onderwerp. Juist ook op dit punt is samenwerking tussen de lidstaten heel nuttig.

De internationale politiek van de EU is helaas bijzonder zwak vergeleken met de andere grote machtsblokken. Het lijkt me een goede gedachte om vooral op dit punt de nodige autonomie van de lidstaten over te dragen aan de Unie, zodat de EU een vuist kan maken in de wereld, terwijl Europa momenteel makkelijk uit elkaar kan worden gespeeld. Een Europees leger zou hierbij een mooi sluitstuk vormen. Het lijkt me trouwens voor alle Europeanen een veilig idee om deel uit te maken van een wereldmacht.
Ondertussen erkent vrijwel iedereen dat de Europese samenwerking een eind heeft gemaakt aan de onderlinge conflicten tussen Europese landen, dus wat dat betreft moeten we zeker niet terug naar af. Terugkeer van nationalisme in Europa moet zelfs als een riskante strategie worden beschouwd.

De aanstaande Europese verkiezingen zullen heel wat debat met zich meebrengen over de zin en onzin van Europa. Alleen al daarom is zo’n verkiezing zinvol. Het zal felle voorstanders en tegenstanders niet bij elkaar kunnen brengen, maar de grote middengroep die een beetje heen en weer wordt geslingerd tussen de uiteenlopende standpunten zal er wellicht wat duidelijkheid mee krijgen. Ik vermoed overigens dat heel wat tegenstanders hun standpunten vooral daarom zo luid en duidelijk poneren, omdat ze weten dat de Europese Unie toch wel blijft bestaan. 

Reacties

Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:

Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers