• Blogs
  • Netwerk PI
  • Inleiding mini-symposium ‘Onderzoekprogramma Basisinkomen’ (Peter van Hoesel) Waarom nader...

Inleiding mini-symposium ‘Onderzoekprogramma Basisinkomen’ (Peter van Hoesel) Waarom nader onderzoek naar het basisinkomen?

    Netwerk PI
    • Iedereen (publiek zichtbaar)
    Door Netwerk PI 613 dagen geleden
    Inleiding mini-symposium ‘Onderzoekprogramma Basisinkomen’ (Peter van Hoesel)  Waarom nader onderzoek naar het basisinkomen?

    Waarom nader onderzoek naar het basisinkomen?

    Op het mini-symposium onderzoek basisinkomen op 10 maart in Den Haag hield Peter van  Hoesel, voorzitter van het NPI,  een presentatie, waarvan de tekst hieronder volgt.
    Zie ook een korte verslag van deze bijeenkomst via de website van de Vereniging Basisinkomen.

    Invoering van een basisinkomen, met name als het gaat om een onvoorwaardelijk basisinkomen, is een zeer ingrijpende beleidswijziging die forse effecten heeft op zowat alle beleidsterreinen. Een experiment met een tijdelijk basisinkomen voor een groepje werklozen geeft daar nauwelijks zicht op.
    Empirisch onderzoek over het basisinkomen is tot op heden uiterst beperkt. Er zijn wel enkele empirische aanwijzingen dat een basisinkomen positieve effecten kan hebben, maar in die gevallen gaat het om beperkte vormen van basisinkomen (zoals: het betreft een aanvulling op het arbeidsinkomen i.p.v. een OBI, het is slechts lokaal van toepassing, er zijn geen aanpassingen op aanpalende beleidsterreinen)
    Deskresearch van wetenschappers laat een uiteenlopend scala van uitkomsten zien en dat is ook wel begrijpelijk, omdat er allerlei uiteenlopende veronderstellingen worden gemaakt die per definitie leiden tot verschillende uitkomsten. Daar komt bij dat die veronderstellingen nogal eens onvoldoende worden onderbouwd.
    De CPB-modellen leiden min of meer vanzelfsprekend tot negatieve uitkomsten, omdat het CPB werkt met een aantal vaste economische veronderstellingen, waarvan overigens onvoldoende duidelijk is of die wel overeenstemmen met het werkelijke gedrag van mensen en organisaties.
    Er is geen goed overzicht van wat er allemaal al is onderzocht. Een metastudie ontbreekt, voor zover ik weet. Boeken zoals van Rutger Bregman en (binnenkort) van Nele Lijnen zijn interessant, maar die beschouw ik niet als een metastudie in wetenschappelijke zin.

    De discussie over het basisinkomen is vooral een discussie tussen gelovigen en ongelovigen. Zoals bekend leidt zoiets niet snel tot het slaan van bruggen. Zelfs wetenschappers gedragen zich meer als (on)gelovigen dan als wetenschappers in deze discussie. Dat is begrijpelijk, want de wetenschap heeft nog niet veel laten zien op dit gebied.
    Volgens mij mag je van de politiek niet verwachten dat men op basis van de huidige discussie serieus ingaat op een mogelijke invoering van een basisinkomen. Sterker nog, ik vind dat de politiek groot gelijk heeft om daar niet of nauwelijks op in te gaan.
    Ik vind wel, dat de politiek interesse zou moeten tonen in meer en vooral betere kennis op dit gebied, maar ik moet wel toegeven dat kennis tegenwoordig niet hoog meer in aanzien staat, en nog minder nu het tijdperk Trump is aangebroken.
    Heel wat voorstanders van een basisinkomen lijken al blij te worden als in het komende regeerakkoord iets zou staan over beperkte experimenten. Ik ben daar niet tegen, maar ik zou het een gemiste kans vinden als het daar bij zou blijven, want zulke experimenten bieden geen inzichten m.b.t. een volwaardig basisinkomen.
    In de ideologie van de meeste partijen zit een natuurlijke afkeer gebakken tegen het basisinkomen. Veelzeggend is bijvoorbeeld dat zowel de VVD als de SP er tegen zijn. Veelzeggend is ook dat het parlement zich net als het Europarlement heeft uitgesproken tegen verder onderzoek op dit gebied. Aan de andere kant is het ook weer niet onmogelijk dat een serieus onderzoeksvoorstel hen op andere gedachten kan brengen.

     

    Toelichting op het programma

    Het is een programma geworden van 8 projecten in plaats van één (zeer groot) project om het uitvoerbaar te houden en omdat de resultaten van elk project binnen het programma als input dienen voor de daaropvolgende projecten.
    Het is een fors programma (zie PDF, 8 blz.), dat een aantal jaren in beslag zal nemen, tenminste als het goed wordt uitgevoerd, en dat misschien alleen al daarom afschrikt. Ik zie echter geen andere mogelijkheid. Voorstanders die het te lang vinden duren zou ik willen voorhouden dat kort-door-de-bocht onderzoek gemakkelijk neer te sabelen is. Tegenstanders die het overbodig vinden zou ik willen voorhouden, dat zij open zouden moeten staan voor een omvattende studie en zich niet moeten beroepen op losse kennisflarden die bepaald niet kunnen aantonen dat het basisinkomen een slecht idee zou zijn.

    Het eerste project van het programma betreft de genoemde metastudie die nog niet voorhanden is en die volgens mij noodzakelijk is om te kunnen voortbouwen op de bestaande kennis. Alleen al een goed overzicht van verschillende soorten basisinkomen met hun mogelijke voor- en nadelen zal zeer behulpzaam zijn bij verder onderzoek.

    Het tweede project inventariseert, vergelijkt en toetst allerlei veronderstellingen die door voor- en tegenstanders naar voren worden gebracht. Aan alle beleidsmaatregelen liggen veronderstellingen ten grondslag, die overigens meestal onvoldoende worden getoetst in ex ante evaluaties. Bij zoiets ingrijpends als een basisinkomen is zo’n exercitie noodzakelijk om te voorkomen dat het verkeerd zou uitpakken, met alle vervelende gevolgen van dien. Het is niet mogelijk om hiermee volledige zekerheid te bieden over de houdbaarheid van de diverse veronderstellingen, maar wel om te laten zien welke veronderstellingen in meerdere of mindere mate kunnen worden ondersteund met wetenschappelijke kennis, praktijkkennis en gezond verstand van burgers.

    Het derde project gaat na welke maatschappelijke doelen met het basisinkomen kunnen worden bereikt (en welke waarschijnlijk niet). Deels zal dit naar voren komen uit de twee voorgaande projecten en deels uit simulatiesessies met deskundigen en burgers. Daarmee kan het maatschappelijke belang van het basisinkomen in de volle breedte naar voren worden gebracht. Dat is belangrijk voor de uiteindelijke afweging tussen kosten en baten van het basisinkomen, maar ook voor de afstemming tussen het basisinkomen en ander beleid dat op deze doelen betrekking heeft.

    In het project ‘aanpalend beleid’ wordt op een rij gezet welke beleidsaanpassingen noodzakelijk of wenselijk zijn om het basisinkomen goed in te passen in het totale beleidssysteem, uiteraard met het oog op een optimaal functioneren van dat systeem ten behoeve van genoemde maatschappelijke doelen. Het is volgens mij onmogelijk om een goed werkend basisinkomen in te voeren zonder grondige aanpassingen op beleidsdomeinen als de sociale zekerheid, het belastingstelsel, het arbeidsrecht en nog heel wat meer.
    Anders gezegd, een basiskomen (met name een OBI) zet de nationale rekening zodanig op zijn kop, dat er van alles en nog wat moet worden herzien om tot een evenwichtig functionerend geheel te komen, inclusief eventueel noodzakelijke correctiemechanismen als er hier of daar iets uit het lood dreigt te slaan.

    Het project ‘financiering’ laat mede op basis van de voorgaande projecten zien uit welke uiteenlopende bronnen het basisinkomen gedekt zou kunnen worden. Het is daarbij belangrijk dat deze bronnen structureel benut kunnen blijven worden en niet na enige tijd opdrogen. En aan de andere kant moet het basisinkomen zodanig worden neergezet, dat het niet na enige tijd bezwijkt onder allerlei ongewenste neveneffecten zoals sterke prijsverhogingen.
    Het is hierbij wat mij betreft ook van belang om het begrip welvaart zoveel mogelijk te koppelen aan economische activiteiten die voor de samenleving c.q. voor burgers een positief resultaat opleveren. Ik vind en met mij het NPI dat er nogal wat negatieve economische activiteiten bestaan, zoals schadelijke producten, een overmaat aan reclame, onnodige bureaucratie, slecht werkend beleid, overbodige arbeid etc., die ten onrechte positief worden meegeteld bij het berekenen van het BNP. Het moet erom gaan de netto welvaart te optimaliseren. Het verschil tussen bruto welvaart en netto welvaart kan volgens mij een belangrijke financiële bron zijn voor het basisinkomen. Dat verschil is geen klein bier, het gaat minimaal om tientallen miljarden, maar voor wie dit ruimer bekijkt kan het om meer dan 100 mrd. gaan.

    Het project ‘rekenmodel’ betreft een lastige technische exercitie om alle belangrijke variabelen die uit de voorgaande projecten naar voren komen met elkaar in verband te kunnen brengen. Belangrijk is daarbij dat er bij onzekere verbindingen tussen de variabelen ruimte komt om verschillende opvattingen over die verbindingen in de berekeningen te kunnen meenemen.
    Met het rekenmodel dienen verder zowel macro- als microberekeningen mogelijk te zijn. Niet alleen de totaalsom moet kloppen, ook op individueel niveau mogen er geen rare dingen gebeuren.

    In het project ‘scenario’s’ wordt het rekenmodel vervolgens gebruikt om na te gaan wat de uitkomsten kunnen zijn. Daarbij is van groot belang dat politieke partijen, maatschappelijke organisaties, deskundigen en burgers hun eigen opvattingen kunnen inbrengen, enigszins vergelijkbaar met het doorrekenen van verkiezingsprogramma’s door het CPB.
    Je zou voorts een wetenschappelijke werkgroep kunnen instellen die op basis van de bestaande kennis (plus de nodige ‘educated guesses’) enkele scenario’s produceert die als meest kansrijk kunnen worden aangemerkt.
    Ook heel belangrijk is om te laten zien welke mogelijkheden er zijn om het beleid bij te sturen c.q. terug te draaien zodra er ongewenste effecten naar voren komen.

    In het laatste project wordt vervolgens een aantal uitvoeringsvarianten bekeken: welke  instanties worden betrokken, hoe zou er kunnen worden geëxperimenteerd, hoe kan de invoering verlopen, hoe kunnen ongewenste effecten worden aangepakt, hoe kan het systeem in evenwicht worden gehouden, e.d.
     

    Afsluiting

    Al met al is dit een nogal ambitieus onderzoekprogramma, waarvan niet zeker is dat het vruchtbare resultaten gaat afwerpen. Maar zelfs in dat geval is het toch een nuttige exercitie, omdat daarmee kan worden vastgesteld in hoeverre de wetenschap in staat is om de te verwachten effecten van een basisinkomen in kaart te brengen. Ik denk overigens dat er de nodige resultaten uitkomen waar de politiek houvast aan heeft.
    Zekerheid zal dit programma niet kunnen bieden, maar het kan wel bijdragen aan een meer zinvolle discussie en daarmee aan de kans dat het basisinkomen er op gegeven moment gaat komen.
    Wat ons betreft zou het mooi zijn als dit programma in het komende regeerakkoord zou worden opgenomen. Vandaar ook dat we het voor de verkiezingen hebben gelanceerd.

    Uitgesproken door Peter van Hoesel op het mini-symposium onderzoek basisinkomen 10 maart te Den Haag

     

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers