Het conservatisme van de gevestigde orde

Het conservatisme van de gevestigde orde

Peter van Hoesel, 6 juni 2017

De meeste mensen willen houden wat ze hebben en daarom verzetten zij zich tegen allerlei veranderingen die hun verworvenheden weer op het spel kunnen zetten.
Liever geen vreemdelingen binnenlaten, want dat kan onze samenleving niet aan. Geen belastingverhogingen die de bestedingsruimte inperken. Maar ook geen bezuinigingen op vele zaken die voor allerlei groepen mensen voordelig uitpakken. Behoud van vaste banen. Geen inbreuken op onze achtertuinen. Werklozen vasthouden in de huidige regelgevangenis. En zo voort.
Angst voor verlies van verworvenheden (waar ooit strijd voor is geleverd) maakt een samenleving bij voorbaat tamelijk behoudzuchtig. Dit natuurlijke conservatisme maakt het lastig om wezenlijke veranderingen door te voeren in onze samenleving. Wantrouwen voert dan al gauw de boventoon.  

Daar komt bij dat de top van de gevestigde orde ofwel ‘de elite’ (zoals bestuurders van grote ondernemingen, politieke kopstukken, hoge ambtenaren en toplobbyisten) over krachtige mechanismen beschikt om hun posities intact te houden. Mensen die tot de elite weten door te dringen beschikken bovendien over het soort vaardigheden dat nodig is om optimaal gebruik te maken van deze mechanismen. Ik ga proberen hier enig licht op te werpen.

Een belangrijk mechanisme is het goed functionerende communicatienetwerk waar de elite over beschikt. Men kent elkaar, men kan elkaar makkelijk benaderen, men houdt elkaar goed op de hoogte.
Iedere burger beschikt over een eigen communicatienetwerk, maar netwerken van gewone burgers zijn niet of nauwelijks aangesloten op dat netwerk van de elite. Je komt als gewone burger daar niet binnen. En mocht het een keer lukken, word je hooguit beleefd aangehoord en met een kluitje in het riet gestuurd, maar meestal word je gewoon doodgezwegen. Dat gebeurt niet met opzet, maar een gewone burger beschikt nu eenmaal niet over de vaardigheden om op dit niveau herkend te worden als iemand die erbij hoort.

Een tweede mechanisme is het lobbycircuit. Dit circuit blijkt een en andermaal in staat om mogelijk op handen zijnde (ongewenste) veranderingen liefst al in de kiem te smoren. Parlementariërs die in lijken te zijn voor bepaalde veranderingen krijgen te maken met een tsunami van contra-informatie van lobbyisten. De grote kennis van lobbyisten overspoelt datgene wat zij meenden te weten en zij geven zich dan ook in de meeste gevallen gewonnen.
Daar komt nog bij dat lobbyisten meestal beter kunnen debatteren dan Kamerleden. Zij weten hun verhaal zo te vertellen dat politici eruit opmaken dat zij het over het algemene belang gaat. Deze vaardigheid is voor lobbyisten essentieel, want politici worden natuurlijk geacht het algemeen belang te dienen.

Een derde mechanisme betreft een beroep op kennis over de werkelijkheid die door gewone mensen moeilijk te doorgronden is. Als iemand met een vernieuwend maar doeltreffend voorstel durft te komen, is een voor de hand liggende reactie dat zijn/haar voorstel geen recht doet aan de (complexe) werkelijkheid. Het voorstel wordt vervolgens neergezet als gevaarlijk voor het kwetsbare evenwicht in het maatschappelijk systeem. Op die manier worden voorstellen zoals m.b.t. vergroening van belastingen of m.b.t. de invoering van een basisinkomen meteen al in het defensief gebracht.

Een vierde mechanisme is het ontketenen van een verwarrend maatschappelijk debat, waarbij feiten, alternatieve feiten en meningen al gauw nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden zijn. Dit schept veel onzekerheid, waardoor nieuwe standpunten nog meer worden gewantrouwd dan oude bekende standpunten. Oppervlakkige media dragen hier de nodige steentjes aan bij en zelfs de kwaliteitspers lukt het lang niet altijd om met een evenwichtige analyse te komen.

Een vijfde mechanisme is wat ook wel de Haagse kaasstolp wordt genoemd, maar misschien moet je die tegenwoordig Haagse bubbel noemen. In die Haagse wereld van insiders heerst een eigen cultuur die geen goede afspiegeling kan zijn van de samenleving. Nu en dan stapt een politicus wel eventjes uit die bubbel om te aanhoren wat burgers ergens van vinden, dit vooral uit angst voor kiezersverlies. Vervolgens rept die politicus zich zo snel mogelijk weer terug naar de vertrouwde Haagse omgeving. Pers en media maken deel uit van deze Haagse bubbel, wat de verbinding met de samenleving extra lastig maakt. De burgers voelt zich ondertussen weinig begrepen, wat nu en dan blijkt bij referenda en verkiezingen.

Een zesde mechanisme is de stevige verankering van het vigerende beleid in een woud van bestaande regels. Dat lijkt ook wel logisch, maar het zit verbeteringen in de weg, zeker als het gaat om wezenlijke verbeteringen. Vraag een jurist wat je daaraan zou kunnen doen en die zal je zeggen dat er niets aan te doen valt.
Zelfs beperkte maatschappelijke experimenten lopen hierop dood. Zie bijvoorbeeld de experimenten die gemeenten zouden willen met de bijstandsuitkeringen.
Je kunt betekenisvolle vernieuwingen in de publieke sector alleen voor elkaar krijgen door drastisch te snoeien in bestaande regels. Zodra je daarmee een eerste stap zou willen nemen, krijg je al gauw te maken met juridische tegenstand. De elite beschikt over voldoende middelen om zulke gevechten bijna altijd te winnen.

Een zevende mechanisme betreft de ideologische hardnekkigheid die bepaalde veranderingen bij voorbaat de nek omdraait. Bijvoorbeeld de overtuiging dat mensen altijd moeten werken voor hun geld slaat een debat over het basisinkomen meteen dood. Op die manier worden nog veel meer mogelijke veranderingen tegengehouden, zoals legalisering van drugs of een Europees leger. De elite hoeft als het ware alleen maar op de juiste ideologische knop te drukken om een dergelijke verandering tegen te houden.

Een achtste mechanisme is de verwijzing naar internationale verhoudingen.
Aanpakken van multinationals is onmogelijk want dan gaan ze naar andere landen. Geen strengere milieuregels dan elders, want dat schaadt de economie. Uitkeringen laag houden, want anders trek je vluchtelingen aan. Je hebt op zijn minst de schaal van Europa nodig om iets te kunnen bereiken, maar Europa is intern nogal verdeeld.
Al dit soort argumenten blijken bijzonder effectief om ook zeer wenselijke veranderingen tegen te gaan.

Een negende mechanisme is de traagheid van procedures. Al onze bestuurlijke procedures zijn ingewikkeld en dat biedt veel mogelijkheden om het proces van beleidsvoorbereiding/besluitvorming te vertragen.  En wel zodanig, dat van uitstel wellicht afstel komt of dat er uiteindelijk een (sterk) afgezwakte versie van de gewenste verandering tot stand komt.
Wanneer de maatschappelijke druk heel groot blijkt te zijn en bovendien lang wordt volgehouden, kun je nog altijd proberen om met een schijnbeweging de samenleving op het verkeerde been te zetten, bijvoorbeeld door met een voorstel voor een experiment te komen, waarmee de procedure voor langere tijd kan worden opgeschort.

Een tiende mechanisme betreft het actief bespelen van pers en media. Voor elk standpunt is wel een mediale omgeving te vinden die graag als zender fungeert. Dat geeft bij voorbaat al de nodige rugdekking en het brengt tegenstanders meteen al een beetje in het defensief.
Dat dit een echt debat in de weg staat is wel duidelijk, maar dat is natuurlijk ook de bedoeling. Je komt op die manier maatschappelijk gezien namelijk niet echt verder, want het debat bestaat dan vooral uit perseveraties (herhalingen van standpunten in steeds iets andere bewoordingen, waardoor het toch nog een beetje op een debat lijkt).

Ik stop nu maar even met het opsommen van deze mechanismes. Tien is een mooi getal, wat niet betekent dat er niet nog meer bestaan. De vraag is natuurlijk, wat valt hieraan te doen? Hoe zou je de gevestigde orde progressiever kunnen krijgen?

Een voor de hand liggende ingang die ik kan bedenken is om in te spelen op toekomstige belangen van de gevestigde orde. Laat zien dat een bepaalde verandering juist in hun belang zal zijn, dan wel dat ze anders de boot dreigen te missen. Op die manier is er bijvoorbeeld enige beweging gekomen op het gebied van verduurzaming. Wellicht kan er langs deze weg ook beweging komen op het gebied van bijvoorbeeld het arbeidsmarktbeleid of het veiligheidsbeleid.

Een andere ingang is wellicht die van de burgerparticipatie. Tot nu toe stelt dit zeker op rijksniveau nog weinig voor, om niet te zeggen dat het alleen met de mond beleden wordt, maar het zou kunnen dat hier geleidelijk verbetering in komt. Zowel overheden als burgers moeten nog leren hier het beste van te maken.
Er zijn hier en daar al wel goede resultaten mee bereikt en in zulke gevallen blijken alle betrokken partijen behoorlijk tevreden te zijn met die resultaten. Dat kan overheden en burgers aansporen hier steeds meer ruimte voor te scheppen. Wie weet ontstaat dan geleidelijk een bestuurlijke bottom-up cultuur in plaats van de huidige top-down cultuur. Langs deze weg komen uiteindelijk wellicht ook grote beleidswijzigingen in zicht.

 

Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers